• Proefvaart: HD2 op zout water onder zeil! (zie Welkom)    
HD2 op zout water onder zeil!!
HD2 op zout water onder zeil!!

Inschrijven nieuwsbrief

Historie HD 2| 18-March-2019

De ramp met de HD 2   (door: Wout Smit Helderse Historische Vereniging)

volgens de kranten


Helderse botter kapseist: drie doden

 

Er zijn van die stormen die een onherstelbaar spoor van vernieling achterlaten. De storm van 6 oktober 1904 was er zo eentje. Vooral de vissersvloot werd zwaar getroffen. De storm dompelde drie families in Den Helder in rouw. Doordat de botter HD 2 kapseisde kwam de gehele bemanning om. Schipper Jacob Willems (36) was getrouwd en had vier kinderen. Knecht Lubbe Kramer (38) liet een zwangere vrouw en zeven kinderen na. Het derde slachtoffer, de scheepsjongen Jan Mastemaker (16), kwam uit een gezin van tien kinderen.

 

De HD 2 was een houten zeilschip, gebouwd in 1876 in opdracht van de Visscherij Maatschappij Helder. Als een eerbetoon aan al die vissers in Den Helder die vroeger onder vaak uiterst moeilijke omstandigheden een boterham probeerden te verdienen – de vis werd inderdaad duur betaald – heeft de Stichting HD 2 een bijzonder project onder handen genomen. Zij heeft een historische botter gekocht, de VD 95, vermoedelijk gebouwd in 1903 te Monnikendam, en dit schip herdoopt in HD 2. Het wordt op de vroegere rijkswerf Willemsoord gerestaureerd en in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht. Wanneer de HD 2 de bruine zeilen kan hijsen en zeewaarts gaat, zal een uniek stukje verleden tot leven zijn gewekt.

 

De noodlottige storm van 6 oktober 1904 bracht niet alleen in Den Helder rouw, maar ook in andere vissersplaatsen. Er verdronken op de Noordzee in totaal 25 vissers. De Urker gemeenschap verloor 14 mensen. Zes weduwen en tien kinderen raakten brodeloos. Enkhuizen, Goedereede en Maassluis zagen zich geconfronteerd met het verlies van de EH 12,  GO 19 en MA 124, waarbij acht mannen om het leven kwamen. 

 

Roofdier

‘De Woensdagavond plotseling opgestoken Noord-Westelijke storm heeft onder onze Noordzeevisschersvloot ontzettend huisgehouden’, meldde Het Nieuws van de Dag. ‘Te verwonderen is dit niet, wijl de hevige stormbuien de visschers eensklap kwamen overvallen, als een roofdier zijn prooi. Bij goed en alleszins handzaam weer waren de schuiten naar zee gezeild en zij waren kalm visschende, toen geheel onverwachts Woensdag tegen den avond het weerglas onrustbarend achteruitliep, voorspellende wat komen zou. Tijd en gelegenheid om eene veilige haven op te zoeken, hadden de visschers niet meer; het kwam àl te plotseling.’

 

Onder het kopje ‘Zeerampen’ schreef  ’t Vliegend Blaadje, de voorloper van de Heldersche Courant:  ‘In den nacht van Woensdag op Donderdag woedden hevige windvlagen en met het aanbreken van den dag nam de wind in hevigheid toe en groeide aan tot een Zuidwestelijken storm. Bij velen hier ter plaatse openbaarde zich de vrees, dat de visschersvaartuigen, die de vorige dagen waren uitgezeild, in groot gevaar verkeerden. Helaas! Hun vrees bleek weldra bewaarheid te worden, want menige schuit heeft het in den strijd tegen de woedende elementen moeten opgeven en vele visschersgezinnen hebben wederom het verlies van één of meer bloedverwanten te betreuren, die hun dood in de golven vonden.

‘In de eerste plaats moeten we vermelden dat de botter HD 2 van de Visscherij Maatschappij Helder gistermorgen omstreeks 8 uur aan de landkant van de Zuider-Haaksboei is omgeslagen en dat de drie opvarenden jammerlijk zijn verdronken. Een half uur voor het treurig ongeval plaats had, was het vaartuig nog gepraaid geworden door HD 39, schipper J. Wezelman. Deze schuit kon echter ook niet de haven bereiken, maar strandde bij Callantsoog. De bemanning werd evenwel gered, die door den kustwachter Duijt liefderijk verpleegd en van droge kleederen werd voorzien.

‘Bij Callantsoog is nog een botter, waarvan de naam onbekend is, omgeslagen en het volk verdronken. Bij Falga is UK 94 gestrand en stuk geslagen, de bemanning is gered. Van Petten kwam hedenmorgen bericht, dat daar gestrand is TX 122, en dat daarin zich nog een lijk bevond.

‘Deze lange lijst van ongelukken is zeker nog lang niet volledig, wanneer men weet dat alleen van IJmuiden en hier nog een aantal vischschuiten in zee is. Van de vaartuigen der Maatschappij Helder HD 14 en HD 16 weet men nog niets, terwijl HD 6 vermoedelijk in reddeloozen toestand in ’t Westgat ten anker ligt.

‘Dat het boos weer is geweest, blijkt ook wel uit den ontredderden staat, waarin de vaartuigen verkeeren, die de haven bereikt hebben; alle hebben zware averij.’

 

Vreselijke taferelen

Vooral bij IJmuiden speelden zich volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant vreselijke taferelen af. Een aantal schepen kon door de plotseling opkomende storm de haven niet zo gauw bereiken. ‘Hedenmorgen poogden een zestal de pieren binnen te komen, maar slechts aan twee er van mocht het, door buitengewone krachtsinspanning, gelukken. Vier werden vlak voor de pieren door zware brekers overstelpt, waarvan al de opvarenden jammerlijk in de golven omkwamen. Men vermoedt dat dit zijn geweest de EH 12 (Enkhuizen), UK 57 (Urk), MA 124 (Maassluis) en een onbekende. De EH 91 kwam hedenmorgen vol water binnen.’

 

De correspondent van ’t Vliegend Blaadje meldde vanuit IJmuiden dat honderden toeschouwers  de hele dag op het strand aanwezig waren ‘Zij zagen deze vreeselijke drama’s voor hunne oogen afspelen. De strijd, die daar gevoerd werd, is niet met woorden te beschrijven. Hedenmiddag gelukte het achtereenvolgens aan de volgende botters om behouden binnen te komen: UK 3, UK 262, UK 293 en UK 48. Het weder neemt nu gaandeweg in kracht af. Met groote spanning wordt hier de dag van morgen tegemoet gezien. Er zijn nog circa 50 kotters op zee, toch is het best mogelijk dat zij, die het ruime sop gehouden hebben, het er nog goed af zullen brengen.’

 

‘Zolang niet bekend is dat de ontbrekende schuiten den storm hebben doorstaan, is er reden om over het lot der opvarenden bezorgd te zijn’, vervolgt het Nieuws van de Dag. ‘Maar ook al komen de vermisten nog opdagen, zooals hartelijk gehoopt wordt, dan hebben toch op zijn minst twaalf vissersch tussen Nieuwediep en IJmuiden hun graf in de golven gevonden. Een aantal gezinnen is door deze rampen weder in rouw gedompeld; en, waar het gezinnen betreft die den kostwinner verloren, ook in ellende. Er zal voor het weldadige Nederland weer heel wat leed te lenigen vallen!’

 

 

Visbuurt

De ramp met de HD 2 trof vooral de Visbuurt. In deze wijk woonden Kramer (Vijzelstraat 8b), Mastemaker (Brouwerstraat 11) en Willems (Leliestraat 17, sinds 1915 Stakman Bossestraat). Behalve van familie, buren en kennissen kregen de ontredderde gezinnen steun van burgemeester A.J.J. van Steijn. Via ’t Vliegend Blaadje liet hij weten een telegram van koningin Wilhelmina te hebben ontvangen waarin hem was opgedragen ‘hoogstderzelver oprechte deelneming over te brengen aan allen, die door deze ramp smartelijke verliezen hebben te betreuren’.

 

De krant van die 12e oktober 1904 bevatte nog enkele opmerkelijke berichten in verband met de HD 2. Zo bedankte de weduwe J. Willems-Bollema vrienden, bekenden en plaatsgenoten ‘voor de vele bewijzen van oprechte deelneming’. Willems kwam oorspronkelijk uit Harlingen, zijn vader was een Urker. Het gezin had vijf kinderen, maar het derde kind, Jacob, vernoemd naar de vader, overleed negen maanden na de geboorte.

 

Het bestuur van de Heldersche Visschersvereeniging met het Kamerlid Andries Popke Staalman als voorzitter en penningmeester deed een oproep om financiële steun. ‘Wij hebben het verlies te betreuren van twee brave mannen en vaders, die hun weduwen met elf weezen in den bangsten nood achterlaten. Elf weezen, waarvan de oudste nog geen dertien en de jongste nog geen jaar oud is. Kunt gij u, lezer, een denkbeeld vormen van den toestand in de gezinnen dezer ongelukkigen?

‘Vader ging heen als altijd, en als hij zijn vrouw en kinderen ten afscheid kust, dan is het immers voor kort, want de wind is goed en het weer is best. Straks keert hij terug, zoo denken ze, en hopen ze. Maar de storm overvalt hen en als nog hun makkers van uit de verte de HD 2 bewonderen, omdat ‘de boel er zoo kant bij staat’, dan werpt in één ondeelbaar oogenblik een grondzee het ranke scheepje ondersteboven en zijn kostbare last verdwijnt bij de Zuider Haaks in de diepte. En terwijl vrouwen en kinderen bij het bulderen van den stormwind wakend bidden en schreien in dien angstigen nacht, speelt de woedende en kokende zee met de afgetobde lichamen hunner geliefden, die eindelijk den doodstrijd moede, met een vaarwel voor eeuwig, door het woedend element worden verzwolgen. Vader zal nooit weêrkeren.

‘Het is hen aan te zien, ze gelooven het niet en angstig vragend keken ze moeder aan, toen wij ze bezochten. Arme, arme kleinen! En daar zitten ze nu, de weduwen en weezen van Willems en Kramer, zonder geld, zonder brood, zonder hoop.

‘Neen, niet zonder hoop! Naast God hopen ze op u, vriendelijke lezer! Gij zult ze niet willen prijsgeven aan de bittere armoede, daar zijn wij ook van overtuigd. Bedenkt toch: ze verloren zoo alles! Stelt gij ons in staat dat leed te verzachten.’

De oproep was behalve door Staalman ondertekend door P. de Jong (secretaris), M. A. Kolster, T. Bais, K. Harder, H. Wezelman en C. Blokker.

 

Beloning

De krant publiceerde in hetzelfde nummer ook twee berichten van M. Mastemaker.

‘Heden werd ons ouderhart zwaar getroffen door het verdrinken van onze geliefde Jan, in den leeftijd van 17 jaar, welke met de HD 2 op den 6en October jl. op zoo een noodlottige wijze om het leven kwam. Allen die hem gekend hebben, zullen beseffen hoe zwaar ons deze slag treft. Namens zijn diep bedroefde Ouders, Broeders, Zusters, Zwager en verdere Familie.’

In een tweede advertentie loofde Mastemaker een beloning van 10 gulden uit ‘voor het aanbrengen van het lijk’ van zijn zoon. Volgens de omschrijving was hij op die noodlottige dag gekleed in ‘pilow broek met blauw molton onderbroek en borstrok, rood molton hemd, flanel sporthemd en blauwe trui, zwarte kousen en een grijze zijden doek om den hals’.

 

Jan, die pas sinds enkele weken op zee voer, was als klein jongetje al bijna verdronken. Op tweeënhalfjarige leeftijd viel hij van de Nieuwebrug in de Bassingracht. In een advertentie in ’t Vliegend Blaadje van 2 juli 1890 betuigden de ouders hun dank aan Rieuwert Koenen ‘voor zijn moedig optreden bij het ongeluk dat ons zoontje Jan trof. Zonder zijn hulp ware zeker onze lieveling verloren geweest.’ Veertien jaar later werd het water toch zijn dood.

 

Eigenlijk heette hij heette Jan Arpeau, hoewel Meindert Mastemaker zijn vader was. Dat kwam zo: zijn moeder Cornelia Spil was op 3 november 1880 getrouwd met de zeeman Cornelis Arpeau. Die vertrok op 14 juli 1881 als stoker op de ‘Koning der Nederlanden’ naar Batavia. Op de terugreis kwam het stoomschip in de problemen door een gebroken schroefas. Het maakte water en zonk uiteindelijk, op 5 oktober 1881, midden op de Indische oceaan. De 123 passagiers en 90 bemanningsleden konden bijtijds overstappen in de zeven reddingsboten, maar daarna waren ze aan de elementen overgeleverd. Van 91 mensen in drie sloepen, onder wie Cornelis Arpeau, werd nooit meer iets vernomen.  

Cornelia Spil, sinds 1 augustus 1881 moeder van een kind (Daniel Frederik), bleef daardoor alleen achter. In de loop der tijd kreeg ze een relatie met Meindert Mastemaker. Pas nadat de rechtbank had bepaald dat de vermiste Arpeau vermoedelijk was overleden, mocht ze met hem trouwen. Op 13 februari 1889 werd het huwelijk tussen de weduwe en Meindert Mastemaker officieel gesloten. In de tussenliggende jaren had Meindert Mastemaker al driemaal de gang naar het gemeentehuis gemaakt om de geboorte van een kind aan te geven. Jannetje (1883), Louiza C. (1885) en Jan (1888) werden, hoe wrang ook voor de biologische vader, onder de naam Arpeau in het geboorteregister bijgeschreven. De zes kinderen die daarna ter wereld kwamen, kregen wel de naam Mastemaker. De laatste, Meindert jr, werd geboren op 2 september 1904, een maand voor de ramp met de HD 2.

 

Oppassende huisvader

Vader Mastemaker, oorspronkelijk afkomstig uit Urk, was schipper van de HD 68 en kende de gevaren van de zee. Vier jaar eerder, in de nacht van 30 november, konden hij en twee van zijn zoons op het nippertje worden gered, nadat zijn botter nabij de Haaks was gezonken.

‘Wij zullen al onze krachten inspannen om hem, zijne vrouw en acht kinderen, waarbij nog een ongelukkige, een gebrekkige, voor geheelen ondergang te behoeden’, zo beloofde het bestuur van de schippersvereeniging ’t Algemeen Belang, dat een hulpactie op touw zette.

‘Gij die zoo menigmaal hebt bewezen, dat Ge mede lijdt, wanneer een onzer een ramp moest treffen, in zijn gevaarlijk bedrijf, wij zijn overtuigd, wij weten, Gij zult met ons willen lenigen den bitteren nood, waarin zich deze oppassende huisvader bevindt.’

 

Ruim anderhalve week na de ramp met de HD 2 waren de lichamen van de drie slachtoffers nog steeds niet gevonden. Daarom besloten ook de weduwen van Willems en Kramer een oproep in de krant te doen. De weduwe van de schipper stelde 15 gulden in het vooruitzicht ‘voor het aanbrengen van het lijk van wijlen Jacob Willems’. En Aaltje Romkes, de weduwe van de knecht, beloofde 10 gulden ‘voor het aanbrengen van het lijk van mijn geliefden Echtgenoot Lubbert Kramer’.

De schipper droeg vermoedelijk ‘een rood baaien hemd, grijsbruine borstrok, bruine molton onderbroek, roode baaien onderbroek, blauwe kousen, engelsch lederen broek en trui, alles ongemerkt.’ Kramer was gekleed in ‘nieuw rood baaien hemd, gemerkt L.R.K., Marinefrokje voor borstrok, blauwe trui, blauwe molton onderbroek, zwarte baaien onderbroek met banden, zware bovenbroek, Engelschlederen baatje en twee paar zwarte kousen’.

 

 

IJskist

Twintig dagen na de ramp meldde ’t Vliegend Blaadje dat schipper Koppen van de TX 153 op Texelstroom een ijskist had gevonden, gemerkt HD 2. Deze kist was ongetwijfeld afkomstig van de verongelukte botter.

Een maand na de ramp kwam er eindelijk een einde aan de onzekerheid bij het gezin Kramer.

Op het strand van Callantsoog bleek het lichaam van Lubbert Kramer te zijn aangespoeld. Enkele dagen later werd het in Den Helder begraven. Kramer kwam oorspronkelijk uit Urk. In 1902 verhuisde hij naar Nieuwediep. Zijn gezin telde toen zes kinderen; het zevende kind, Geertje was kort na de geboorte overleden. In Den Helder beviel moeder Aaltje nog van zoon Luut en dochter Lubbetje. De laatste kwam zes maanden na de ramp met de HD 2.     

Ook voor het gezin van de schipper kwam er duidelijkheid. Anderhalve maand na de ramp werd het stoffelijk overschot van Willems gevonden op het strand van Petten.

Voor de familie Mastemaker bleef de onzekerheid voortduren. De golven hebben het lichaam van Jan nooit willen prijsgegeven. Extra wrang voor de ouders was dat hun oudste (stief-)kind Daniel Frederik in 1918 naar Newport in Noord-Amerika vertrok, maar na enkele brieven geen enkel teken van leven meer gaf. Ook hij verdween spoorloos.

 

De Heldersche Visschersvereeniging probeerde inmiddels zo veel mogelijk geld voor de nabestaanden binnen te halen. Staalman wist als uitgever van een eigen krantje (‘Extra Tijding’) en als journalist hoe hij de gevoelens van de lezers het beste kon bespelen. In een oproep om financiële bijdragen, schreef hij: ‘Zullen deze arme vrouwen, die zoo plotseling alles verloren, hem die zij lief hadden, hun huiselijk geluk en hun broodwinner, zullen ze hunne kinderen moeten vertellen, dat er liefde was en medelijden en hulp en troost voor anderen, maar dat voor hen de harten waren gesloten? Zullen dan onze beden niet verhoord en hunne tranen niet gedroogd worden? Kom, ga dan één ogenblik met ons de woningen binnen van Willems en Kramer en Ge zult ze niet kunnen weerstaan die droeve blikken der moeders en die smeekende oogen dezer elf kleinen. Ze vragen u of gij nu voor moeder zorgen zult en hen, nu vader verdronken is, hun vader  die zoo’n beste vader was.’

 

Via de krant legde Staalman verantwoording af. Hij publiceerde alle giften. Tot februari 1905 kwam er 11.000 gulden binnen bij het hulpfonds. Een deel van het geld was afkomstig van scholen, die door Staalman met een circulaire waren bewerkt. Speciale aandacht in de krant kreeg een gift van de koningin-moeder Emma. Zij had de burgemeester 60 gulden doen toekomen ten behoeve van de nabestaanden.

Drukkerij Egner in Den Helder gaf een boekje uit met een novelle van H. van Ronkel onder de titel ‘Een Visschersleven’. Prijs: 20 cent per exemplaar. De opbrengst hiervan was ook bestemd voor de nabestaanden van de slachtoffers van de storm op 6 oktober 1904.

 

Aan dood ontsnapt

Ondanks de dood van zoon Jan bleef in het leven van de familie Mastemaker de zee een belangrijke rol spelen. Met alle risico’s vandien. Bij zijn 50-jarig huwelijk in 1939 blikte de Heldersche Courant met Meindert Mastemaker terug in zijn verleden. Wat bleek? Enkele malen was hij aan de dood ontsnapt toen hij het schip waarop hij voer, aan de zee moest prijsgeven.

De eerste keer (1893) was met de HD 3, toen de botter bij laag water bij de Noordergronden vastliep tegen het wrak van de stoomboot Gulf of Panama. Met veel moeite werden de drie opvarenden alsmede een jongen die toevallig aan boord was, gered door de Texelse blazer TX 105. Pogingen om het vaartuig te bergen, mislukten.

De tweede keer was in november 1900 toen zijn schip moeilijkheden kreeg bij het vuurschip Haaks. Een lekkage waarvoor de HD 68 eigenlijk op de helling moest, werd plotseling zo groot, dat de boot zonk. De HD 2 (!) met schipper Arie Frankfort was toevallig in de buurt en slaagde erin Mastemaker en zijn twee zonen te redden.

De derde keer (1914) werd de botter van Meindert Mastemaker, de HD 117, overvaren door ‘Bertha’, een bark uit Finland. Tegenover de Heldersche Courant van 20 juni gaf de schipper hierover toen het volgende relaas:

‘Wij waren gistermiddag ongeveer 5 uur bij Zandvoort, visschen in 10 vadem water. Mijn zoon zat juist brood te eten, terwijl de knecht W. Romkes sliep. Het was een prachtig gezicht de bark te zien naderen, doch verwonderde het ons wel, dat hij zoo dicht op ons aanliep. Wij schreven dit toe aan een zucht om ons te laten zien hoe scherp het schip zeilde, doch zagen haar ineens recht op ons aankomen.

‘We werden aan het achterschip ingeloopen en vielen door het instroomende water plat op zijde. Het gelukte ons nog den mast te grijpen, doch wij haalden telkens bijna drie meter onder water door. Na ongeveer een uur te hebben rondgedreven op wrakgoed dat losgelaten had, zagen wij van de bark een boot uitzetten, die ons overnam.

‘Na aldaar eenige drooge kleeren te hebben gekregen, werden wij later afgehaald door schipper Kooy met den schokker HD 52 en naar IJmuiden gebracht, waar wij liefderijk werden opgenomen in het reddingsstation van het Witte Kruis.’

De krant voegde hier aan toe, dat schipper Mastemaker niet alleen zijn – onverzekerde – schip verloor, maar ook zijn besommingsgelden van de laatste week. En de knecht was zijn weekloon kwijt.

 

‘Laat me los’

‘Het is een nacht geweest die ik nooit meer heb kunnen vergeten,’vertelde Mastemaker bij zijn gouden huwelijkfeest in 1939. ‘Ik kon niet zwemmen, maar m’n zoon Jaap, die me grijpen kon toen ik al wegzonk, heeft me drie kwartier boven water weten te houden. Ik heb hem wel honderdmaal gezegd, dat hij me los moest laten en zelf proberen zich te redden, maar hij wilde er niets van weten. Een halve week hebben we in het ziekenhuis gelegen, want we hadden best water binnen gekregen. Maar we kwamen levend thuis, zij het berooid als een kerkrat.’

Toen Mastemaker in 1900 zijn botter verloor, hield schippersvereeniging ’t Algemeen Belang een hulpactie, die 951,80 gulden opbracht. Met dit geld kon hij een ander schip kopen.

Na de ramp in 1914 was de gedupeerde schipper op zichzelf aangewezen. Hij besloot zijn toen jongste zoontje (11) voorgoed van school halen. Om brood op de plank te krijgen, moest Meindert jr. zijn vader helpen bij de verkoop van vis. Zij ventten met vis langs de deuren. De jonge Meindert is dat blijven doen ….tot 1968.  

 

Noodgeschrei

Als knecht op de HD 6 in 1884 was Meindert Mastemaker betrokken bij de redding van de opvarenden van de UK 133. Door een hevige storm was de botter uit Urk gekapseisd. Schipper K. Kramer en de jongste knecht Lubbert de Boer (12) hielden zich vast aan de kiel van het vaartuig, de tweede knecht Albert Kramer (24), een broer van de schipper, was al door de golven meegesleurd. Drie passerende vissersboten, UK 59, HD 8 en HD 22, vonden het te riskant om hulp te bieden. Schipper Ras van HD 6 waagde wel een reddingspoging.

De Heldersche en Nieuwedieper Courant bracht een levendige reportage over deze actie: ‘Een met juistheid toegeworpen lijn heeft de jongen bereikt. ‘Pak hem!’, roept schipper Kramer den wezenloozen knaap toe, maar deze durft zijne handen niet loslaten en ’t reddende touw gaat als ’t vaartuig henen. Boven ’t geluid van den storm klinkt ’t angstig roepen van den schipper. Wat zal Ras nu doen? ’t Door den wind komen zal wellicht onmogelijk zijn en is zoo gevaarlijk, dat waarschijnlijk hem een gelijk lot zal treffen als zijn rampzaligen makker. Toch wordt het beproefd en…’t gelukt.

‘Ras komt ’t wrakke vaartuig met ontzettende inspanning weer voorbij. Weer wordt een touw toegeworpen; maar de hevige wind maakt, dat dit ’t vaartuig niet bereikt. Inmiddels is ruim een half uur verloopen. Kramer zelf, die zich intusschen van klompen, wanten en oliepak heeft ontdaan, ziet nu in, dat alle hoop op redding voorbij is. Niet ten derden malen zal Ras ’t wagen door den wind te gaan. Toch klinkt het noodgeschrei onophoudelijk Ras en zijn bemanning in de ooren. En toen, na een haastig overleg met zijn knecht (stief- of halve broer) Meindert Mastemaker, besluit Ras, hoe afgemat  ook en hoe ontredderd ’t op zijn dek er uit ziet, nog eene laatste poging te wagen.

 

Eerbied

‘Het was of de zee eerbied kreeg voor zooveel opoffering, voor zooveel heldenmoed. Door eene juiste wending schiet HD 6 ’t omgeslagen vaartuig op nieuw en nu rakelings voorbij en schipper Kramer kan de toegeworpen lijn grijpen. Die om ’t lijf te binden en met beide handen vast te grijpen is ’t werk van een oogenblik, en weldra wordt Kramer door de zee gesleurd om met groote inspanning aan boord van zijn edelmoedigen redder opgehaald te worden. Den jongen zag men nog bewusteloos geklemd aan den achtersteven. Al belette eigen behoud en afmatting niet alleen de bemanning eene nieuwe poging te wagen, dan zou de toestand van den jongen toch elke poging tot redding hebben belet, tenzij men zelf op ’t omgeslagen vaartuig ware gegaan om den jongen ’t touw om ’t lijf te slaan, iets, waaraan natuurlijk niet gedacht kon worden’, aldus het verslag van deze reddingsactie in de krant.

Het Hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen onderscheidde Ras en Mastemaker later voor hun heldhaftig optreden. Ze kregen een sigarenkoker met zilveren inscriptie. Bovendien kreeg schipper Ras een medaille. De sigarenkokers en de medaille bevinden zich in de collectie van het Reddingmuseum Dorus Rijkers.

Jacob Ras (70) verdronk in 1915 toen de HD 77 bij IJmuiden werd overvaren door de stoomtrawler IJM 168 ‘Odin’. Zijn zoon Jacob stak hem nog zijn been toe, maar die kon hij niet meer grijpen. Zoon Jacob werd na vier uur gered. Ook de scheepshond overleefde de ramp.

 

De HD 2 is, zoals eerder vermeld, zelf ook betrokken geweest bij enkele reddingsacties. Op 10 januari 1899 haalden schipper Jacob Willems en zijn twee knechten met deze botter de broers C. en K. Blokker op het droge, nadat ze met hun vlet schipbreuk hadden geleden. Ruim anderhalf jaar later, op 30 november 1900, schoot de HD 2 Meindert Mastemaker en zijn twee zoons van de HD 68 te hulp nadat deze botter door lekkage bij het vuurschip Haaks was gezonken.

 

De vloot van de Visscherij Maatschappij Helder telde acht botters. Ze stonden geregistreerd onder de naam van Helder I tot en met Helder VIII. Enkele maanden na de ramp met de HD 2 beëindigde de maatschappij haar activiteiten. Zij had toen nog zes schepen in bezit, die in het openbaar werd verkocht.

 

Er zijn na 1904 nog enkele vissersboten geweest die bij het visserijregister werden ingeschreven onder de naam HD 2, te weten de aak ‘Vrouw Betje’ van Pieter Anthonie Plooy (1911), botter ‘De Strijd’ van Johannes Plooy (1935) en vlet HD 2 van J. Plooy (1943).

 

De vissersvloot van Den Helder telde rond 1900 tussen de 60 en 70 houten zeilschepen, voornamelijk botters, schokkers en blazers. De bemanning bestond doorgaans uit drie man: de schipper, de knecht en de jongen. De eerste stoomtrawler van Nederland kwam in 1895 in de vaart. Dit schip, de HD 348 van de Stoomvisscherij Maatschappij Mercurius, voer onder de naam ‘Betsy’. In 1928 verrijkte P. Drijver de Helderse vissersvloot met de eerste motorkotter ‘Hoop op Zegen’ onder het nummer HD 71.

 

Stormrampen

De storm van 1904, waarbij 25 vissers om het leven kwamen, was geen zeldzaamheid.  De scheepjes waren klein, hadden geen motoren, geen nautische instrumenten en geen communicatieapparatuur. De weervoorspelling was veel beperkter dan tegenwoordig.

In 1868 vergingen 18 vissersschepen, waardoor 54 mensen verdronken. Van de slachtoffers kwamen er 26 uit Urk. Bij een oktoberstorm in 1882 verdronken 53 vissers uit Scheveningen. In 1883 woedde een storm die bekend werd als de ramp van Moddergat. Hierbij verongelukten 35 vissersschepen, 121 opvarenden verdronken, liefst 50 gezinnen in Moddergat en Paesens zagen zich van hun kostwinner beroofd. Deze storm trof ook de HD 19 (vijf doden) en HD 12 (drie doden) uit Den Helder.

Bij een storm in 1892 verloren 22 vissers uit Wierum het leven. In het jaar daarop bracht een storm opnieuw rouw in Den Helder. Twee zeilkotters vergingen: HD 63 en HD 300. Niemand van de opvarenden overleefde de ramp. Het Visschersfonds ontfermde zich over de 7 weduwen en 35 wezen. Koningin-regentes Emma schonk ter ondersteuning 200 gulden.

In 1896 kwamen bij een storm 35 vissers om het leven, van wie zeven uit Volendam. Een septemberstorm in 1911 kostten 51 mensen op zee het leven. Tijdens de watersnoodramp in 1916 verdronken 32 mensen bij scheepsrampen op de Noordzee. Bij een storm in 1926 vergingen vijf loggers bij de Doggersbank, 63 opvarenden kwamen om het leven.

 

Bij de Visafslag staat een monument van Louk van Meurs-Mauser ter herinnering aan alle Helderse vissers die op zee zijn gebleven. Namen worden op de sokkel niet vermeld, maar de bloemen die er bij tijd en wijle worden neergelegd, zijn ook bestemd voor Jacob Willems, Lubbe Kramer en Jan Mastemaker, de slachtoffers van de verongelukte botter HD 2.

 

                                                                                                                      Wout Smit

                                                                                   (Helderse Historische Vereniging)  

 

Bronnen:

Helderse vissers onder zeil, Karel Oosterom.

De Visbuurt in Den Helder 1810-2010, Ko Minneboo en Marinus Vermooten.

De dagen van Olim, Jan T. Bremer

Een eerlijk zeemansgraf, J.T. Bremer en L.R. Deugd.

Varen op de Oost, Edward P. de Groot.

’t Vliegend Blaadje, 26 oktober 1880, 9 februari 1889, 2 juli 1980, 14 maart 1900, 8, 12, 15, 19, 22, 26 en 29 oktober 1904, 9 en 12 november 1904, 1 februari 1905. 

Heldersche en Nieuwedieper Courant, 7, 14 september en 21 december 1884.

Heldersche Courant, 18 en 20 juni 1914, 12 oktober 1915, 11 februari 1939.

Leeuwarder Courant, 8 oktober 1904.

Nieuwe Tilburgsche Courant, 5 november 1904.

Het Nieuws van de Dag, 7 en 14 oktober 1904.

Rotterdamsch Nieuwsblad 8 en 31 oktober 1904.

Schager Courant, 10 november 1904.

Marja Mastemaker.

Aart Kramer.